Tien uur. Zo lang duurde de tocht over Olympus, de berg waar de Grieken hun goden lieten wonen — de troon van Zeus, de grens tussen het aardse en het hemelse, de plek waar stervelingen niet zomaar komen. Ik wist dat niet toen ik begon te klimmen. Mijn lichaam wist het wel. Het wist het voor mij.

Bijna de helft van de reis was ik misselijk. Geen gewone misselijkheid — een golf die dwars door me heen trok, tot ik moest overgeven, heftig, alsof iets in mij met geweld naar buiten wilde. En juist dáár, gebogen boven de grond, ledig, zag ik het: de zuiverste natuur die ik ooit heb aanschouwd. Mos, water, licht dat door de bladeren viel. Alles helder. Alles puur. Alsof het uitbraken en het zien niet los van elkaar stonden — alsof ik pas kon zien nu ik leeg werd gemaakt.

Toen we eindelijk een plek vonden om te rusten, zeeg ik neer. Geveld. Door de ziekte, de vermoeidheid, en door iets ouders dan dat — een moeheid van het leven zelf. Alle energie leek vervlogen. Ik was klaar om te sterven, en het voelde niet als wanhoop. Het voelde als helderheid.

Sterven — niet het lichaam, begreep ik. De oude versie van mezelf. Die mocht gaan. En in datzelfde neerzijgen was er ruimte voor iets anders om geboren te worden. Zo voelde het: als een baring. Een leegte die zich opende, niet om te eindigen, maar om te beginnen. En tegelijk een stil weten dat het geen kind zou zijn dat ik hier ter wereld bracht. Iets anders wilde door mij heen geboren worden — iets in mezelf, van mezelf. Geen oordeel, geen verlies. Een diep aanvaarden, aan de oevers van de bergstroom die klaterde en helderde, licht dat door het landschap sneed — en door mijn ziel.


De sjamaan en het water

Ik probeerde een stukje appel. Voorzichtig. Langzaam kauwend, alsof het de eerste keer was, alsof ik vergeten was hoe dat ging. Er werd medicijn afgeroepen, ingezongen. En het stukje appel ging er in vliegende vaart weer uit. De vibratie van de energie te heftig om te dragen.

De sjamaan had me zien drinken. Hij vroeg: toen je je fles bijvulde met water van de berg — was ze eerst leeg? Neen, zei ik. Ik had het vermengd. Oud water met nieuw.

Maak het eerst leeg. Dan pas kan het heldere binnenkomen. Net wat je lichaam nu doet. Loslaten, voordat het opnieuw met licht gevuld kan worden.

En er was wat los te laten. Dat was duidelijk.

We gingen door. Stap voor stap. En de ziekte trok weg, zoals ze gekomen was — vanzelf, toen ze niets meer te doen had. De leegte liet zich vullen. Met geluiden. Met indrukken. Met puurheid in haar zuiverste vorm. Lifeforce. Alsof de berg me, nu ik leeg was, mocht binnenlaten.


Het meisje op het pad

Verderop, op een smal pad, kreeg een meisje het zwaar. Ze kon niet meer. Ze lag daar, midden op de weg, geen ruimte om langs of om verder — en ze schreeuwde. Automatisch ging ik naar haar toe. Ik wilde haar niet alleen laten lijden. Haar laten weten: je hoeft hier niet alleen doorheen.

De sjamaan gebaarde dat ik weg moest gaan. Als je nog vijf uur misselijk wilt zijn, blijf. Maar het is genoeg geweest, denk ik. Je neemt te veel van anderen over. Ga. Dit moet ze zelf doen.

Dat was misschien het moeilijkste van de hele berg. Wegstappen van iemand in nood. De rebel in mij kwam in verzet. Dit is niet het moment. Je bent niet nodig. De berg doet het werk. Ga. Knarsetandend liet ik haar los.

Nu, terugkijkend, begrijp ik het beter. Maar ik begrijp ook mijn eigen natuur beter. Wie ik ben, of wil zijn: iemand die aanwezig kan zijn.

Alleen — aanwezigheid is niet hetzelfde als iemands last op je nemen. Dat onderscheid is de hele leer.

Het meisje moest haar eigen leegte maken. Ik kon dat niet voor haar doen, hoe graag ik ook wilde. Het was al leeg genoeg in mij.


Het offer van bewustzijn

Na uren dalen kwam de pijn. In mijn voeten, mijn benen, mijn knieën. De lichamelijke vermoeidheid die niemand ontliep — we voelden het allemaal.

De sjamaan zei: onze pijn is klein, tegenover wat de wereld nu draagt. Laat ons vooropgaan. Laat ons een offer zijn — niet om te lijden, maar om het lijden mee te helpen dragen. Het collectief. Dat is wat de wereld vraagt, in een wereld die verdoofd is geraakt.

En ik dacht aan wat er speelt buiten de berg. De politiek die wegkijkt terwijl mensen worden uitgewist. Genocide die zich voltrekt terwijl we scrollen. De schepen die uitvaren over zee, beladen met niets dan de wil om aanwezig te zijn waar niemand nog kijkt — een flotilla als een laatste, kwetsbaar gebaar van bewustzijn. Offer, in zijn oorspronkelijke betekenis: iets van jezelf geven zodat een ander kan ademen.

Wat de berg van me vroeg, vraagt de wereld ook. Niet dat we er dagelijks met ons gezicht bovenop gaan staan — want dan trekken we een energie binnen waar we zelf moe en ziek van worden, precies de misselijkheid van de berg, maar dan collectief. Wél dat we weten hebben van de schaduwzijde van ons mens-zijn. Dat we durven aankijken dat we allen deel hebben aan wat er speelt — de oorlog, de genocide, de milieurampen — en van daaruit tegenwicht vormen.

Licht kan niet bestaan zonder schaduw. Dat is geen berusting; het is de opdracht. Zolang we blijven terugkeren naar balans. Altijd opnieuw het evenwicht zoeken, eerst in onszelf — en zo, van binnenuit, in de wereld.


De berg leert het lichaam wat de geest al wist: eerst leegmaken. Dan pas kan het licht binnen.

Deze tekst is een uitnodiging. Niet om mijn reis na te lopen, maar om je eigen fles leeg te maken — te kijken naar wat in jou mag gaan, zodat iets nieuws geboren kan worden.

Volgend jaar, rond deze tijd, keer ik terug naar Olympus voor een nieuwe ceremonie. Wil je meelopen, of wil je weten wat dit werk voor jou kan betekenen? Neem contact op via Latitude33.

Angela Delbar — Latitude 33°  |  navigating through awakening